Moi

Het Noaberpad in Groningen voert langs de Westerwoldse AA, de Ruiten AA en Runde. Riviertjes die weer mogen kronkelen en waarbij de rechte lijnen aan het verdwijnen zijn. Ooit sprak ik eens een oudere man die in zijn eerste werkjaren dit soort watertjes rechttrok met een kraan en bulldozer en toen hij op leeftijd was mocht hij dezelfde ‘kanalen’ weer laten meanderen, “we gaan vooruit naar vroeger”, zei hij.

En het is alsof ik thuis kom daar in Groningen, het ‘moi’ en ‘hoi’ komt van iedereen naar mij toe. Alle mensen, jong en oud, die ik tegenkom zeggen iets en hebben ook alle tijd voor mij. Komt het doordat ik enkelen jaren in Anderen gewoond en op vliegveld Eelde gewerkt heb, dat ik mij zo goed voel in deze omgeving? De taal komt mij makkelijk verstaanbaar over en ik begin al heel snel de ‘n’ op het eind van de woorden weer in te slikken. Het zal wel raar klinken, ik als westerling die probeert half Gronings, half Drents te proaten.

Veel volk neemt de tijd voor een praatje, zo praten we met een andere wandelaar over het koren dat hier overal groeit. Het verschil tussen rogge, tarwe, spelt, gerst of haver ken ik niet goed en voor mij is het bijna allemaal eender, “doar komt gain gebak oet!“. Na enige uitleg en ezelsbruggetjes begint het te beklijven. Ik vind het nog leuk ook om te zien wat er verderop groeit, er zijn een hoop soorten te ontdekken.

Op één van de prachtige zomeravonden komen we aan in Bellingwolde en besluiten nog een avondetappe te doen. 12 Kilometer naar het plaatsje Wedde en we zien wel hoe we terug komen, ‘As’t nait gait zoas’t mot, mot’t mor zoas’t gait.’
In Wedde blijkt één bushalte met inderdaad een belbus (één uur beltijd) en een kroeg annex snackbar. We gaan hier maar eens vragen of er ander vervoer te regelen valt, we hebben goede ervaringen in het verleden in een ander deel van Groningen. De vrouw achter de bar laat duidelijk haar ‘Gruns’ achterwege als ze met ons praat en luister naar ons verzoek. Als wij onze vraag gesteld hebben gaat zij aan het praten en daarvoor heeft ze geen enkele aanmoediging nodig.
Kist wachtn?”, vraagt ze. Ja hoor, tijd genoeg, we laten ons een biertje goed smaken en het praten gaat al wat makkelijker. Ze belt een ‘olle’ vriend uit Veendam en deze gelegenheids-propper wil ons wel vervoeren naar de plek waar de camper staat. We zijn benieuwd.
Een tijdje later komt er een oude man in een nog oudere auto aanrijden en vraagt;  “hou ist der mit?” “Nou goud”, zeg ik en hij lacht. Na een wederom gezellig praatje wil hij ons, voor een overeengekomen bedrag, wel wegbrengen naar Bellingwolde. De barvrouw roept “Dikke Tammo!” naar de chauffeur en “doei” naar ons, we hebben er plezier om.
De chauffeur heeft alle tijd van de wereld, hij krijgt twee sms berichten onderweg en gaat rustig stil staan en de sms lezen. Hij knauwt er behoorlijk plat op los en vertelt ons een deel van zijn levensverhaal over “kop d’r veur holl’n“, en “wievm, begin der noeit aan zei mien opa altied.”
We begrijpen dat hij nu zelf opa is en opnieuw getrouwd en dat er een hoop geduvel en verdriet is rond de kinderen en kleinkinderen. Ik merk dat ik hem systeemvragen wil stellen maar hou dat maar voor me.

Uit deze ontmoetingen en verhalen komt een volk naar voren dat trots is op hun woonomgeving, hun afkomst, gebruiken en taal. Ze zijn gewoon op hun plek daar waar ze zijn. En ik, ik kan er met veel plezier en een bepaalde weemoed naar kijken. Of ben ik gewoon jaloers?