Al dit moois…

Tachtig jaar is hij bijna en nu ligt hij in het ziekenhuis omdat zijn lichaam geen rode bloedlichaampjes meer aanmaakt. Om de drie weken krijgt hij vers bloed en na een paar uur  “ben ik weer doorgesmeerd”, zegt ie. Een ‘paar uur’ is een understatement; om kwart over acht is ie er al en pas tegen drie uur kan hij weg, een lange servicebeurt, vind ik.
Hij ligt naast mijn vrouw en met verbazing hoor ik hoe snel ze kennismaken en de reden delen van het hoe en waarom in het ziekenhuis zijn.
Hij ligt alleen en als ik vraag of zijn vrouw nog leeft, zegt ie: “Zeker man!” Ze is thuis, haar knie wil niet meer en daarom ga ik met de auto maar alleen hierheen. Tussen de middag is ie bijna verbolgen als hij  één pakje kaas krijgt voor twee boterhammen, “de vorige keren kreeg ik er twee.” De man wil graag praten over auto’s en ik doe wat mee, het wordt snel technisch over krukassen, olie en de slechte materialen die er vroeger waren. Ik haak dan af en probeer wat te lezen.
“Het is me allemaal wat”, zegt hij plotsklaps en ik kijk op uit het tijdschrift. “Hè, net zo interessant dit stuk over Antarctica en de smeltende ijskappen”, denk ik en zucht onhoorbaar. Mijn vrouw ziet het en glimlacht, later zegt ze dat ze blij was dat ik met haar buurman wilde praten. Ze was moe.

Ik ga in op zijn zinnetje en we praten over dood en leven en of hij bang is voor de dood, vraag ik. Hij kijkt mij aan en is stil. “Ik denk er heel veel over”, zegt ie. “Maar bang, nee dat ben ik niet.”  Ik vraag me af of ie dit zo voelt of dat ie nog steeds denkt.
Er is nu contact op een niveau dat anders is dan over zijn werk als automonteur, mooi. Even valt er een stilte tussen ons in als hij helder spreekt: “Ik wil al dit moois nog niet achterlaten.” Bij ‘moois’ maakt ie een gebaar met zijn infuusvrije hand. En ‘moois’ blijkt dan het leven zelf te zijn. Het is toch ‘mooi’ dat dit allemaal kan en hij kijkt naar zijn infuus en zijn hand. “Ik ben er blij mee dat ik nog even verder kan zo.” Thuis bereiden ze zich voor op zijn eventueel overlijden, de dingen die hij altijd al deed, draagt hij stukje voor stukje over aan zijn vrouw.

Liefde proef ik, zoveel liefde, zo groot dat het de ziekenhuiskamer haast uitbarst. Tot over drie weken lieve man, we zien elkaar!

Gewoon geven

Op het moment dat ik dit schrijf staan wij aan de vooravond van onze vijfde verhuizing in 35 jaar tijd, een mooi gemiddelde van zeven jaar. In de loop der jaren zijn we van een flatje naar een bovenwoning gegaan, vandaar naar een twee-onder-één-kapper en toen naar een vrijstaande woning in Anderen en nu van Marknesse naar Kraggenburg. En met de grotere woonruimte en kinderen kwamen er steeds meer en meer spullen in de huizen.

Tijdens deze verhuizing blijkt dat we zoveel spullen om ons heen hebben verzameld, soms noem ik het ‘rotzooi’ dat we van het bestaan van sommige zaken niet eens meer afweten. Zeventig procent van al deze ‘rotzooi’ staat ergens in een opslag en toen ik er van afstandje eens naar keek, bekroop mij een gevoel van schaamte en bezinning. Waarom zoveel materiële zaken, wat is de waarde er eigenlijk van, wat heb ik eigenlijk nodig om te leven en meer van dat soort vragen.
Onze zoon Matthijs die recent zeven maanden al back-packend door Zuid-Amerika trok heeft een zelfde ervaring gehad en zei enige tijd na zijn terugkomst; “ik heb ontdekt dat ik maar weinig nodig heb om te leven”. En deze fijne ontdekking leidde ertoe dat we veel spullen gingen weggeven.
Er is op facebook een ‘weggeefhoek’ te vinden waar we de overbodige spullen konden verloten, van militaire plunjebalen tot snowboards en van een valhelm tot wandelschoenen, het ging allemaal vlot weg. Sommige spullen vinden we toch nog teveel van waarde om weg te geven en proberen er nog iets voor te krijgen via een ‘verkoophoek’ of ‘marktplaats’.
En steeds weer doet zich een soort ‘transformatie’ plaats, van materiaal dat ik in eerste instantie beslist niet kwijt wilden naar een weggeven. En wat is dat lekker zeg, weggeven zonder dat ik er wat voor terug hoef te hebben, gewoon geven. Ik heb al zoveel dankbare mensen aan de deur gehad die gemeend blij waren met onze spullen, wat is dat fijn om te zien. Zo fijn, dat ik soms langs de spullen loop en mij afvraag of ik dat en dat wel nodig heb;”kan het weg”, vraag ik mij dan af.
En steeds meer gaat er dan ook weg. En naast het feit dat ik er een ander blij mee maak, gebeurt er in mij ook iets dat ik als opluchting kan bestempelen, alsof ik mij bevrijd van een last, van een schaamte van een teveel aan bezit. Letterlijk en figuurlijk ruimt het op.

Een paar redenen om afscheid te nemen van materiële zaken kwamen de afgelopen tijd bij mij op;

  • Met veel bezit ben je in dienst van al je bezittingen, ‘bezit bezwaard’ is niet voor niets een gezegde.
  • Minder is meer. Ik hoef mij niet meer bezig te houden met alle spullen, er geen energie (fysiek en mentaal) meer aan te besteden. Ik hou dus energie over.
  • De spullen die ik wel wil houden (voor nu:)) krijgen een andere waarde, misschien wel meer. Ze worden mijn bezit in plaats van anders om.
  • Minder dode spullen betekent meer leven.
  • Er komt een nieuw besef, wanneer ik wat nieuws of anders wil aanschaffen. De impuls gaat er vanaf en ik denk meer over een aankoop na, “heb ik het echt nodig?” En dit betekent dan dat mijn ‘voetafdruk’ op deze aarde wat lichter wordt. Wanneer ik minder koop doe ik ook iets aan minder verpakking, minder transport, minder productie en dat voelt goed.
  • Dit alles leidt ook naar een bredere en kritische kijk op wat ik aan het doen ben met bijvoorbeeld natuur, energie en omgaan met de wereld…
  • En tot slot, weggeven is fijn, het ervaren dat een ander plezier heeft van iets wat ik niet meer nodig heb is prettig.

Verhuizen biedt met alle drukte en geregel een mooie kans voor uiterlijke en innerlijke schoonmaak en dat is ruimtewinst.

Stef zingt er dit over….

 

Pow – Wauw

Vier mensen om de pow-wow voeren het ritme aan, heel zacht en aftastende beginnen de vier met hun drumbeater de pow-wow te beroeren. Wij zijn met 17 mensen en ieder heeft zijn eigen intentie om daar te zijn. De intentie melden we niet maar houden we stilzwijgende voor ons.
Voor mij was de intentie om het ‘grote moeten’ te ont-moeten. Waar komt het toch vandaan dat ik zo gedreven aan de slag ga en het één nog niet afgerond heb en met het ander al weer bezig ben. Ik loop van de ene activiteit (vaak een cursus of training) naar de volgende en het moet allemaal zo nodig. Het is een soort verslaving lijkt het wel,  een sterk innerlijke beweging die dat mij laat doen. Als het sterk innerlijk is, dan zal je er ook wel gelukkig van worden, zei iemand eens. En dat is nou net niet het geval, ik start ergens mee en wanneer ik er mee bezig ben, kijk ik alweer uit naar de volgende gebeurtenis. Maar gelukkig wordt ik er niet van, moe, dat wel. Sterker nog, het is verslavend steeds verder gaan. Welke voldoening zoek ik dan toch?
En waar ga je dan heen of waar vlucht je dan vandaan, zou een coach kunnen vragen. En die vragen heb ik mijzelf ook al eens gesteld, ik ken mijn beweging.
Vader en moeder spelen hierin een grote rol, mijn ouders en voorouders hebben continu moeten strijden en werken in en voor hun leven, continu bezig zijn met eten, inkomen en onderdak voor de grote schare kinderen en zichzelf. Zit dit ‘doen’ dan zo sterk in mijn dna, mijn cultuur, mijn opvoeding verweven dat ik dat nog steeds zo kan ervaren, als een haast onbedwingbaar mechanisme?   Dit hele moeten maakt rusteloos en moe en alleen de lichamelijke moeheid keert het tij en doet mij beseffen dat ik te ver ga.
Alhoewel ik tegenwoordig ook steeds vaker kan zeggen dat er bewustwording is wanneer ik weer eens iets wil gaan ondernemen. Ik neem dus mijn eigen voornemen waar en kan er dan een keuze in gaan maken. Nog niet altijd, er is verandering! De NLP vooronderstelling “er is altijd een andere keuze mogelijk’, geeft dit al aan. Dat is ook zo, maar het kost wel moeite!

Terug naar de drumavond; de drum klinkt zacht en er zit al wel een stevig ritme in. Ik volg en luister, ik luister en volg en sla op mijn drum. Er ontstaat een melodie en het geluid begint rond te gaan, al wat luider nu. Geleidelijk aan draagt iedereen, naar eigen voelen, bij aan het geluid. Sommigen heel zacht tikkend op de drum, anderen slaan feller met veel zichtbaar enthousiasme. Ik sla in het midden en dan aan de zijkant, steeds weer, steeds weer en weer en weer. Ik voel, zie en hoor het plezier in mijzelf en om mij heen. Een haast eentonig ritme ontstaat, een soort zoemen en dan gebeurt er iets in mij wat ik nu probeer te beschrijven; tussen alle geluiden hoor ik niets en voel me oneindig leeg, vredig en toch ook aanwezig in de ruimte en met alles wat hier is. Ik hoor de geluiden wel en ik hoor ze ook weer niet. Een vredig gevoel overspoelt mij tussen al het ‘geluidsgeweld’ en ik voel een intens diepe rust waarin alles goed is, alles is oké. Het is geweldig, het is zo bijzonder, tranen komen te voorschijn.

Hoe lang dit duurde weet ik niet en is ook niet zo belangrijk. Feit is dat ik me ineens weer bewust werd van de drumbeater in mijn hand en dat ik werktuiglijk aan het mee drummen was, confuus van het moment van net. En dan realiseer ik mij dat ik in trance was, een heerlijke trance die oneindig ‘leeg’ was.

Een gesprek met mijn vader

….. en ineens zit ie daar op de bank in onze tuin, mijn vader. Hij ziet er goed uit, beter dan toen ik hem voor het laatst zag. Hij is grijs, zijn ogen staan anders dan vroeger, niet meer flets, zijn holle blik is verdwenen, straalt hij?, denk ik.
Ik wil wat zeggen, maar hij is mij voor: “dag Berry, hoe is het met je?”
Hoe is het met je, hoe is het met je? Ik voel dat ik boos word… dat heeft ie nog nooit in zijn leven gevraagd en nu ie dood is, stelt ie zo’n vraag!

“Goed,” zeg ik, “maar wat doet u hier?” “Gewoon, eens praten met je, daar heb ik vroeger zo weinig tijd voor gehad.” “Geen tijd voor genomen, zult u bedoelen.” Het is eruit voor ik het besef.
“Ja, dat is ook een manier om er naar te kijken, dat kan ook.”

“En hoe komt u hier eigenlijk, dit kan niet!” “Dat weet ik niet,” zegt vader en zijn mondhoeken gaan licht omhoog, “ik kan mij niet herinneren hoe ik hier kom, het is gewoon zo.”
Boven onze hoofden strijkt een duif neer op het rekje naast de druif, zijn koppie gaat heen en weer en gluurt naar beneden. Spontaan en met mijn ogen gericht op de duif begin ik te praten alsof dat mijn vader is. Mijn vader die niet nog op het bankje zat is weg. Dan vliegt de duif weg en mijn vader zit er weer, ik snap het niet.
Ik schaam mij, ik vraag mijn vader van alles en nog wat en lijk niet eens blij om hem te zien. Waarom zeg ik niet gewoon dat ik hem gemist heb..
“Ik heb u gemist, pa”, zeg ik dan, zomaar.
“Ik jou ook zoon.”
De duif koert in de prunus en een ander antwoordt op het dak, een bij zoemt langs, verder is het stil.
De stilte wordt pijnlijk en ik voel verdriet omhoog wellen, mijn keel knijpt dicht. En zoals vroeger kijken we langs elkaar heen, we zeggen niets en alles.

Pa verbreekt mijn denken en half vragend: “wat was ik druk hé, tijdens mijn leven?”
Wat wilt u nu, denk ik. Bevestiging, u zelf verontschuldigen?
“Nou”, mompel ik: “pas in de afgelopen jaren, tijdens NLP ben ik dit gaan begrijpen en volgens ma was u inderdaad nogal druk.”
“Wat is NLP?”
“Dat leg ik straks nog wel uit,”
antwoord ik kortaf.

Ik heb dit al veel vaker proberen uit te leggen aan mensen en merk dan aan het gesprek dat mensen afhaken, ik kan dat ‘zeggend’ niet zo goed duidelijk maken, het is ook echt iets om te doen en te ervaren. Ik laat het nu ook maar, misschien straks.
Mijn vrouw komt de tuin inlopen en gaat op het bankje zitten, op vaders plek. Vader is weg! Ik vertel haar wat ik aan het doen was en dan komen de tranen.
Ze loopt weg om thee te zetten en vader is er weer….

“Waar was u, net?”
“O”, zegt hij rustig, “even weg……, dit is tussen jou en mij, een vader en zoon gebeuren, ik kan wachten hoor, ik heb alle tijd.”
Ik snap er helemaal niets van, zo zit hij levensecht tegenover me en het andere moment is hij verdwenen.
“En waar was u dan zo druk mee allemaal?”
“Ik was nogal ambitieus en wilde de wereld verbeteren. Ik vond dat ik alles beter kon dan de ander en alles moest anders.”
“En u voetbalde ook nog in het 1e van ESTO?”
“Ja, dat waren mooie tijden met Sinko en Wim Bealde en op doel stond je ome Paul en ik was spits.” Hij zucht tussendoor. “Ik was een heel snelle spits, ik scoorde veel en had een goed schot”. “Toen jij kwam was ik 25 en ik denk dat ik tot mijn 32e gevoetbald heb.”
“Tot uw 31e,” zei mam.  “Ze nam mij mee in de kinderwagen en ging nog wel eens mee kijken.”
“O, dat zal dan wel, je moeder onthoudt dat soort dingen nog steeds goed.”
Zou hij gewild hebben dat ik ook een goede voetballer werd, vraag ik mij af.
En hij vervolgd: “ik ben gestopt met voetballen na een opmerking over mensen met een kleur na een wedstrijd tegen Moordrecht, daar woonden veel Molukkers en dat waren gemene gasten.”
O, ja die opmerking ken ik, herinner ik mij, ik meen ook dat moeder mij er een bewaard krantenartikel over heeft laten lezen.
“Ja, tegenwoordig zou dit leiden tot een media-rel en royeren van het lidmaatschap.”
“Toen lachten we erom en het bestuur suste de rel.”

Het is even stil tussen ons, ik zie hem denken en een vraag formuleren.
“Voetbalt de oudste weer”?
“Nee, hij is niet meer gaan voetballen, hij was keeper trouwens.” “Laatst zei hij dat ie verlangde naar het keepen, dus wie weet.’
“En onze jongste is ook gestopt en denkt er ook over weer te gaan trainen en dan te gaan voor het 1e team”.

Mijn vader glimlacht breed uit, deze boodschappen doen hem zichtbaar goed.
Tja, het was en is nu eenmaal zo, ik heb in het spelletje nooit plezier gehad.
Alsof ie mijn gedachten leest: “Ik had graag gezien dat je broer en jij ook zouden gaan voetballen. Een paar jaar had ik hoop maar je broer vond het niks en toen jij wat dikker werd na de lagere school vervloog mijn hoop.” “Toen jouw leider je uit het elftal zette was het helemaal snel afgelopen.”

Daar zit nog wat pijn bij mij merk ik.

“Wist u dat dan, dat ik eruit moest?” antwoord ik verbaasd.
“Oja, dat deed mij pijn, maar dacht dat je wel begreep waarom.” “Ik zat toen al in het bestuur en wist overal en alles van.”
En ik dacht ik het alleen maar wist…. “Maar…. u heeft er met mij nooit over gesproken.”
“Nee, dat kon ik niet.” “Het hoort nu eenmaal bij voetbal, de besten gaan naar de hoogste elftallen, de minder goeden vallen af of gaan naar een lager elftal.” “Ik dacht dat moeder er wel met je over zou praten”.
“Nee, nooit”. Ik doe kortaf.

Hij zegt niets en kijkt nu wel een beetje hol voor zicht uit. Peinzend zegt ie: “Dat is niet goed van mij geweest, ik had dat beter kunnen zien maar voor toen was het echter in orde.”
“Maar ja, die drukte hé. Altijd was er wat . Ik ben ook nog een jaartje trainer geweest en ging toen weer verder in het bestuur.”

Ik associeer mij met zijn leven en zie als een film zijn leven, zijn overleven, ik weet er blijkbaar toch veel van, het harde werken, de zorgen voor iedereen, de relatie met andere mensen, zijn ouders en zijn ziekte. Op een diepere laag dan voorheen ontstaat er begrip, een besef over zijn leven, de mooie jaren en de minder goede. Dit duurt een poosje en als ik opkijk is vader verdwenen, het bankje is leeg. Ik zoek om mij heen, niets!
Vlak hierna zet ik een en ander op papier en wanneer ik het zit te schrijven is het net alsof het niet gebeurd is.

 

Bovenstaande is onderdeel van een uitgebreider helingsproces en geïnspireerd op het ‘kampvuur gesprek’ zoals gebruikt door Brandon Bays. Wil jij ook daadwerkelijk een start maken met heling en vergeving dat nodig ik je uit om contact met mij op te nemen, je bent welkom!

 

 

Glimlach

Bij het verlaten van Marokko is er nogal wat controle, veel beambten die paspoort, ingevulde uitreiskaart en boardingpass willen zien. Één van de beambten zit samen met een collega in een hokje en wanneer ik aan de beurt ben stap ik naar voren. Ondoorgrondelijke donkere ogen boven een evenzo donkere snor kijken mij aan. De man van middelbare leeftijd kijkt beurtelings van zijn scherm naar mijn paspoort en kaartje, bladert en voert wat in, kijkt nog een keer, geeft een paar stempels en dan spreekt hij een paar woorden tegen mij. Zijn gezicht klaart op en hij glimlacht breed uit, hij wijst op mijn paspoort en wijst dan een paar keer naar naar zichzelf en naar mij. Ik begin te glimlachen maar waarom weet ik niet. Ik ben totaal verrast en snap zijn bedoeling niet. Ik begrijp wel dat ik door kan lopen, ik kijk nog even om en zie dat de man alweer bezig is met de volgende reiziger.

Een stuk verder ben ik als ik hem plots snap, hij zei; “same…, same date.” En, zo herinner ik mij nu, hij wees daarbij al tikkend met zijn vinger in het paspoort op mijn geboortedatum. Ah, we zijn dus geboren op dezelfde dag, 20 april 1960. Wat hebben wij nog meer gemeen, denk ik. Ik heb mijn leven tot nu toe doorgebracht op het Europees vasteland en hij zijn hele leven misschien wel op het Afrikaans contingent. Zou ie ook vader zijn, zou ie worstelen met dezelfde vragen als ik, is ie gelovig, waar staat hij voor en hoe ziet zijn gezin eruit? Waar is ie eigenlijk geboren en hoe vergaat het hem in dit leven. Goh, wat zou ik die man graag leren kennen, ik ben nieuwsgierig geworden.

Wat worden duizenden kilometers afstand, culturele verschillen en taalbarrières toch snel geslecht door een eenvoudige glimlach, een gebaar van verbinding.