Brandgrens

Gisteren wandelde ik een deel van het Erasmuspad in Rotterdam. In zuidelijke richting lopend vanaf het Centraal Station richting de Westersingel met zijn prachtige kunstwerken. Ze zijn het stuk voor stuk waard om bij stil te staan, misschien zelfs wel fotogenieker op deze regenachtige dag dan tijdens een zonnetje.
In het boekje dat bij de wandeling hoort lees ik een stuk over de brandgrens. “De brandgrens is de grens tussen dat deel van Rotterdam dat op 14 mei 1940 werd verwoest door bombardementen en het deel dat min of meer gespaard bleef. De brandgrens is gemarkeerd met verlichte grondarmaturen waarin een icoon is verwerkt.”
Mijn gedachten drijven weg en voor een bronzen beeld sta ik stil.

Het beeld staat aan het begin van de Westersingel, een staande man met zijn hoofd omhoog geheven en een rechte rug. Het beeld straalt kracht uit, vermogen en een geaarde onverzettelijkheid. En dan ineens overkomt mij een gevoel dat uit mijn basis opwelt naar boven, het bekruipt mijn keelgebied en er komen tranen achter mijn ogen op. Mijn partner ziet het en vraagt wat er mij aan de hand is. “Ik ga hier vanzelf huilen”, zeg ik. Wanneer ik verder loop de singel in, verdwijnt onmiddellijk het verdrietige gevoel in mij. Een paar beelden verder sta ik weer foto’s te maken alsof er niets aan de hand is, wat een bijzondere ervaring.

Later, wanneer we napraten over de wandeling en de ervaring, lijkt dit op een soort collectief gevoel, een gevoel van ons allemaal. Een gevoel misschien wel van onze voorouders dat wij nog kunnen waarnemen.
Ik moet denken aan ‘de tranen van de voorouders’, een boek van Daan van Kampenhout. Dat dat wij hij daarin beschrijft, daar past mijn ervaring van deze dag duidelijk in.